Van harte welkom

Van harte welkom op mijn gedichtenblog.
U mag de gedichten ongewijzigd gebruiken met vermelding van mijn naam.
Voor het verzorgen van een lezing met voordrachten of een workshop kunt u contact opnemen via cobytjeert@live.nl
Er is ook een volledig programma voor Kerst en Pasen.
Mijn boeken zijn verkrijgbaar bij de boekhandel en bol.com en te leen in de bibliotheek.
Voordrachten zijn te beluisteren op https://www.luistergedichten.nl/index.php/component/comprofiler/userprofile/905-poelman Ook is er een interview te beluisteren, https://soundcloud.com/user-671424345/interview-coby-poelman-duisterwinkel-10-07-2017

donderdag 29 december 2011

De keerzijde

Zelfs aan de kleurenfoto’s
die hij neemt van mensen
is herhaaldelijk te zien
dat hij hun minder mooie kant belicht.
Zo mist hij keer op keer het mooiste.

Maar kijk
hoe hij vandaag
de negatieven
in de haard verbrandt.
Op zijn gezicht
ontwikkelt zich
een zachte glans van Licht!

Terwijl ik kleur zie ik opeens
zijn allermooiste kant.

Coby Poelman-Duisterwinkel.

dinsdag 27 december 2011

t Gehaim van old en nij


Marius van Dokkum ©2005 Art Revisited, Tolbert

Wat t rolletje verhult
op nijjoarsdag
onthult t kniepertje
ten overstoan van
waarme euliebollen.

n Loag van snijwit poeier
bedekt wat west is

vannacht begunt
ons nije levenstied!

Coby Poelman-Duisterwinkel

Het kunstwerk is van Marius van Dokkum

zondag 25 december 2011

Het onopvallend vruchtje


Stille Landman, zie mij wachten
in ‘t verborgen duister,
ik draag een heel klein vruchtje maar.
Wanneer U langskomt zult U denken
dat vruchtje is nog lang niet klaar,
ik leef hier in het donker,
durf me niet laten zien,
nooit kom ik in het volle licht
komt U een keer bij mij misschien?

Ik ben zo bang voor al die ruwe mensen
die plukken in het wilde weg
en met hun ladders langs mij schuren
geen blik mij waardig keurend
vernielen ze de heg.

Ik wil zo graag meer vruchten dragen
maar er komt geen landman langs
die naar mijn bladerdak komt kijken,
ik heb geen schijn van kans.
Ze lopen allen mij voorbij,
begerig zijn hun ogen
gericht op vruchten in het licht,
naar mij wordt niet gebogen.

O goede Landman
bent U daar
U hebt mij niet gemeden,
wat voelt dat fijn, ik zie uw hand,
hebt U zich niet gesneden?

Stille Landman hoorde U mij?
Ik heb voor ‘t eerst gebeden!

Coby Poelman-Duisterwinkel

Het kunstwerk is van Anneke Hoes, de boomgaard van de Allersmaborg in Ezinge (zie www.annakunst.nl)

vrijdag 23 december 2011

Moekes handschoenen

Met moekes handschoenen aan
vuil ik nog even weer
de waarmte van heur handen
en is het net of
t nait zo kold meer is

met moekes handschoenen aan
zit ik op fiets en denk aan heur
hou wies ze met ons was
ik zug heur weer veur ogen
zoas ze der met liep
noar kerk en vrouwenbond
of as ze ston te wachten
op bus noar stad

Ik wrief met ledervet
mien moekes handschoenen ien
en t is of k heur de handen
noa t worrelschrappen
met atrix wrieven zug
nog vuil k ze roeg van t waark
over mien wangen strieken,
och moeke, heb ik bie joen leven
wat k veur joe vuilde
wel genog loaten blieken?

Coby Poelman-Duisterwinkel

dinsdag 20 december 2011

Begenadigd

Zie je Ruth lopen
met op haar rug
een zak vol gelezen aren,
zie je haar ogen
waarin de glans
van wat ze heeft ervaren?

Zie je Maria
die na het bezoek
van de engel begint te zingen,
zie je haar bewogen
hart, overmand door
zegeningen?

Twee begenadigde vrouwen,
vol geloofsvertrouwen
in Ruth een ontluikende liefde
voor haar gevonden losser,
in Maria het groeiende kind,
de komende Verlosser.

Zie ik mezelf
in het licht van de nacht
waarin ik vergeving vroeg?
Mijn Verlosser ziet mij,
Hij heeft het volbracht.
Zijn genade is mij genoeg.

In mijn ogen verschijnt
de glans van Ruth,
met Maria begin ik te zingen,
doordat mijn Verlosser leeft
voel ik mijn hart opspringen.

Coby Poelman-Duisterwinkel

Dit gedicht is te beluisteren op www.audiogedichten.nl

vrijdag 16 december 2011

Adventsverlangen


t Stalletje is uutstald,
de ster hangt te stroalen.
Gedachten goan noar Bethlehem
zunder af te dwoalen.
Gain kerstman of draank
zol ons verlaiden.
Staark is t verlangen,
onbevangen
noar onze Redder
dai komt om te bevraiden!

Coby Poelman-Duisterwinkel


Adventsverlangen

Het stalletje is uitgestald,
de ster hangt te stralen.
Gedachten gaan naar Bethlehem
zonder af te dwalen.
Kerstman noch drank
zal ons verleiden.
Sterk is het verlangen,
onbevangen
naar onze Redder
die komt om te bevrijden!

Coby Poelman-Duisterwinkel

donderdag 15 december 2011

Alles goud met moeke en Kiend?

Aargens ien n koamer
stait n berre op klössen.
n vrouw bevaalt.
Als pien nait meer
te holden liekt
klinkt het verlössend
schriwwen.

Aargens ien Bethlehem
laip n bevallende vrouw.
n koamer was der nait,
loat stoan n berre op klössen.
Heur pien werd
hardvochtig meden.

Heur Kiend het loater
pienlijk veul leden
terwail er kwam
om te verlössen.

Coby Poelman-Duisterwinkel



Alles goed met moeder en Kind?

Ergens in een kamer
staat een bed op klossen.
Een vrouw bevalt.
Als pijn niet meer
te houden lijkt
klinkt het verlossend
schreeuwen.

Ergens in Bethlehem
liep een bevallende vrouw.
Een kamer was er niet,
laat staan een bed op klossen.
Haar pijn werd
hardvochtig gemeden.

Haar Kind heeft later
pijnlijk veel geleden
terwijl Hij kwam
om te verlossen.

Coby Poelman-Duisterwinkel

Adventskedo


Ien kaarstboom hangt n ster,
waarkje van kleuterschaul.
Langs deurschienend oranje
omlient fienprikt zwaart
de draihouken,
zes groten en zes klainen

ien golden letters
stait ien t hartje schreven
de metgeven boodschop
Ere zij God!

Ien mien herinneren
zug ik t lutje wichtje,
heur oogjes stroalen
al van ver,
joar in joar uut
schient op t zaacht oranje
n hemels licht over
d allerlaifste ster.

Coby Poelman-Duisterwinkel

t Lutje wichtje is ien de adventstied geboren.




Adventsgeschenk

In de kerstboom hangt een ster,
werkje van de kleuterschool.
Langs het doorschijnende oranje
omlijnt het fijn geprikte zwart
de driehoeken,
zes grote en zes kleine

in gouden letters
staat in ’t hart geschreven
de meegegeven boodschap
Ere zij God!

In mijn herinnering zie ik
het kleine meisje,
haar oogjes stralen
al van ver,
jaar in jaar uit
schijnt op het zacht oranje
een hemels licht over
de mooi gevormde ster.

Coby Poelman-Duisterwinkel

woensdag 14 december 2011

Is t al licht?




t licht dat schittert ien ogen
van elk dai van laifde braand
veur Christus en Hom wil verhogen,

t licht dat schient in bliede mensen
dai verlangend noar Zien komst
heur vreugdevuur verspraiden,

t licht gericht op t Koningskiend
dat t kwoad overwon,
en duusternis verblindt,

dit licht zel met kaarstdoagen branden
en stroalen as n waarm vuur
ien wel aan Hom heur hart verpanden.

Leeft er nog ain ien duusternis?
Geef den as de herders deur
wat die aan weerglans geven is.

Coby Poelman-Duisterwinkel




Is het al licht?

Het licht dat schittert in de ogen
van ieder die van liefde brandt
als over Christus wordt gesproken,

het licht dat schijnt in alle blijden
die verlangend naar Zijn komst
hun vreugdevuur verspreiden,

het licht gericht op ‘t Koningskind
dat het kwade overwon,
en de duisternis verblindt,

dit licht zal op het kerstfeest branden
en stralen als een warmend vuur
in die aan Hem hun hart verpanden.

Leeft iemand nog in duisternis?
Geef dan als die herders door
wat jou aan glans gegeven is.

Coby Poelman-Duisterwinkel.



Het kunstwerk is van Jentsje Popma

dinsdag 13 december 2011

Kom mor ien t Licht


As er gain plak is
veur t Licht
dat zich verploatst
ien mensen
donkert het duuster
verder dicht.

Omdat Hai
louter Laifde is
is er as Kiend
op wereld kommen
zodat er
ploatsvervangend
de mens
aan ’t licht
loat kommen
deur ’t daipste
van de duusternis

opdat t veur altied
Poasen is.

Coby Poelman-Duisterwinkel





Kom tot Zijn schijnsel

Als er geen plaats is
voor het Licht
dat zich verplaatst
in mensen
donkert het duister
verder dicht.

Omdat Hij
louter Liefde is
is Hij als Kind
gekomen
zodat Hij
plaatsvervangend
de mens
aan ’t licht
doet komen
door ’t diepste
van de duisternis

opdat het eeuwig
Paasfeest is.

Coby Poelman-Duisterwinkel



Het kunstwerk is van Wilna de Grooth

Kerstavond


Stil eens,
de kerkdeur opent nodigend
zo ook het Woord van God,
Vrede zij u
spreekt Hij.

Coby Poelman-Duisterwinkel

Het kunstwerk is van Harry Meerveld

zaterdag 10 december 2011

Zingen bie t harmonium



Marius van Dokkum ©2005 Art Revisited, Tolbert

Dag ien dag uut
zag ze hom zitten
achter n smirreg roam
onoafschaidlek van zien leptop.
Wat opviel was de zundag,
den zag ze hom stoan,
dai bundel ien zien handen…
n plan kwam ien heur op.

Veur t schoonwreven roam
mengt zich n bevereg stemgeluud
met n kroakerege soproan.
Opburgen is de leptop.

Wel nou deur de stroat kommen zol
treft hier n stroalend duo.
Vol vrede klinkt heur “Eer zij God!”

Coby Poelman-Duisterwinkel



Zingen bij het harmonium

Dag in dag uit
zag ze hem zitten
achter het vervuilde raam
onafscheidelijk van zijn laptop.
Wat opviel was de zondag,
dan zag ze hem staan,
die bundel in zijn handen…
een plan kwam in haar op.

Voor het schoongewreven raam
mengt zich een bevend stemgeluid
met een wat krakende sopraan.
Opgeborgen is de laptop.

Wie nu door de straat zou gaan
treft hier een stralend duo.
Vol vrede klinkt hun “Eer zij God!”

Coby Poelman-Duisterwinkel



Het kunstwerk is van Marius van Dokkum.

donderdag 1 december 2011

Kerstverhaal 2011 "Kerstfeest op het Groninger platteland", in het Gronings en in het Fries



De bovenste foto is van Hennie Guikema.
De foto (kerkje van boer Harkema) is van Gertjan van Noord.

De Nederlandse vertaling van dit verhaal is gepubliceerd in het boek: "Granaatjes met een gouden slot". Dit boek is opnieuw gedrukt en is op 21 juli 2015 uitgegeven door uitgever Noordboek/Friese pers http://www.noordboekwinkel.nl/granaatjes-met-een-gouden-slot.html en te koop in iedere boekhandel.
Als u dit verhaal in een Word document wilt gebruiken om te publiceren in uw kerkblad of tijdschrift mag u contact opnemen met de uitgever.


Krystfeest op it Grinzer plattelân.

Hoe let it wie wist âlde frou Nienhuis net. Se rûn troch de lange gong, steun sykjend oan ’e leuning en se frege har ôf achter welke doar har keamer ek al wer wie. Oan ’e ein fan ‘e gong wie de glêzen doar, dêr achter de sfear fan gesellichheid. Troch it glês-yn-lead seach se ljochtjsjes baarnen. De reuk fan dinnegrien kaam har temjitte. Wie dit de doar fan har keamer? Op elke doar wie in foto fan de bewenner plakt. Se herkende har foto. De doar gie op in kier. It wie donker. Se knipte it ljocht oan en seach de har bekende spullen: Har bêd, de twa noflike stuollen. De antike linnenkast, har rollator dy’t se wer fergetten wie mei te nimmen en de kast fan har âlden mei in faas neist de foto fan har ferloofde dy ‘t flak foar har houlik troch in ferkearsûngelok om it libben kommen wie. Se hie nea wer in man moete dy’t har grutte leafde ferfange kinnen hie. Op it taffeltsje stie de kassetterekorder dy’t de mefrou fan de tsjerke brocht hie. Se hoechde allinich mar de knop mei de stikker yn te drukken, dan koe se de tsjerketsjinst belústerje. Se skufelde nei ien fan de stuollen -dy mei it kanten kleedsje oer de rêchleuning-, drukte op ‘e knop en hearde it ynliedend oargelspul fan de tsjerketsjinst yn de har fertroude Gemeente. Mei har hannen gear en de eagen ticht joech se har oer oan de wurden fan de dûmny. De liturgy dy’t se fan de mefrou krigen hie lei neist de
kassetterekorder. Se koe net mear sa goed lêze, sels de grutletterliturgy begûn foar har eagen te dûnsjen. Nee, it wie better sa. Sa no en dan preuvele se wurden mei, mei it gebed. As it sjongen begûn, libbe se op, dan siet se rjochtop yn ‘e stoel en song se út ’e holle, mei de triennen yn ’e eagen, alle ferskes mei. Se libbe har yn as wie se der by. Nei it ‘amen’ fan ‘e segen gie se oerein, pakte har taske en skufele de gong op. Se rûn de lange gong wer troch, kaam foarby in kapstok, pakte in grize jas dy’t op harres like en luts him oan. Der siet in sjaal yn de mouwe seach se, dy die se om ’e hals. Yn ‘e jasbûsen fûn se wanten.

Hielendal kleid om nei bûten ta stie se even letter foar de grutte doar dy’t mar net iepen woe. Hoe koe dat no, se drukte tsjin de doar. Wêrom gie de tsjerkedoar net iepen en wêr wiene alle minsken? Gelokkich, der kaam in mynhear mei in lange swarte jas oan en in hoed op. Dat wie seker de dûmny. Hy drukte op ’e knoppen fan in soarte fan tillefoan en de doar gie samar fansels iepen. Sûnder om te sjen rûn hy nei bûten en sy skufele sacht achter him oan. Hy rûn mei grutte stappen en ynienen betocht se dat har rollator noch binnen stie. Se wie hielendal fergetten dat se net mear goed rinne koe, sa hie se prebearre de dûmny by te hâlden. Sykjend nei hâldfêst grypte se om har hinne en begûn te wankeljen. Se fielde hoe‘t se har lykwicht ferlear en tsjin in hage foel, har taske lei bûten har berik. Se pebearre oerein te kommen doe’t in sterke man him oer har bûgde en frege oft se har besearre hie. Se koe de man net. Helpleas seach se yn syn eagen en sei dat se it allegearre net mear wist.

De man holp har oerein en frege wêrnei’t se op wei wie... of hy har bringe koe. Se wist it net mear, it like wol oft se hielendal neat mear wist. Doe seach se foar in ferljochte rút in kearske baarnen en har eagen begûnen te glimkjen. Se wist it wer: it wie krystfeest en se
woe nei’t tsjerke! Se fertelde de man dat se nei tsjerke woe om ’t it krystfeest wie en mei de kryst gie se altyd nei tsjerke om it evangeelje út Lukas te hearren, en te sjongen ta eare fan God, te fieren dat de Rêder berne wie om minsken te ferlossen. De man sei dat der op dit momint fan de dei gjin tsjerketsjinsten hâlden waarden en it krystfeest fan de sneinskoalle wie ek al foarby. Hy hie noch nei de bern wuifd en him ôffrege oft se tsjintwurdich nog in boekje kado krigen krekt as froeger. Doe’t hy de djippe teloarstelling seach op it rimpele gesicht fan de helpleaze frou kaam der in gedachte by him op. Hy koe in befreone boer op it Grinzer plattelân, net sa fier hjirwei, dy't op syn hiem in tsjerkje boud hie, wêryn wolris in troutsjinst holden waard of in bysûndere tsjerketsjinst. Op dizze earste krystdei wiene der fêst wol minsken yn dat tsjerkje. Der spile ek wolris ien op it oargel. Wa wit, sa te sjen makke it dizze frou net út oft it in tsjerketsjinst wie of in sjong-oerke, hy koe har dêr wol nei ta bringe. Der lei altyd wol in Bibel wêrút hy fan Lukas lêze koe. Der kaam in blide glâns op syn gesicht doe’t hy har dit fertelde, dat hy har wol nei in tsjerkje bringe soe wêr’t fan Lukas lêzen wurde soe en wêr’t sy sjonge koe ta eare fan God.
Hij holp har yn syn auto en even letter rieden se troch it prachtige lânskip fan Grins
oer smelle dykjes, dy’t der prachtich by leine troch de fallende snie.

Frou Nienhuis glundere. Mei har taske op ‘e skurte geniete se fan dit ûnferwachte autoritsje. Wat wie it hjir moai, sa stil en fredich. Oeral seach se buorkerijen mei ferljochte ruten, it wie krekt sa as froeger doe’t se as lyts famke by ljochtmoanne nei de famkesferiening fytste. Alle herinnerings kamen boppe.
De man seach sa no en dan fansiden nei it gesicht fan de âlde frou, dat glundere yn in wearskyn. Hy tocht oan syn mem dy’t hy niiskrekt thúsbrocht hie, makke him soargen oer har geastlike sûnens. Se stie no al hast in jier op ’e list foar “Het Hofje”. Wat hie se genoaten fan dizze midzje by harren thús. Se hie it sa fijn fûn har bern te sjen en it freondintsje fan harren Jehannes te moetsjen. Ek moast hy weromtinke oan syn frou dy’t moarns noch foar him stien hie mei smeekjende eagen en frege hie of hy dan teminsten no’t it kryst wie werris mei gie nei tsjerke en hoe’t hy sein hie dat krekt mei kryst der frede yn de tsjerke weze moast en dat der foar him gjin frede wie. Fertrietlik wie se allinnich de doar útgien, mei de holle foardel en hingjende skouders en hy hie wer murken hoe ellindich hy him dêrûnder fielde. En no siet hy mei in âlde frou yn ’e auto en wie op wei nei in tsjérke. Hij realisearre him ynienen dat de frou wolris yn “Het Hofje” wénje koe. Hy hie har flakby “Het Hofje” fûn... It begûn him dúdlik te wurden dat it gedrach fan de frou goed paste by de minsken dy’t dêr wennen. Gau sette er de auto oan ’e kant fan ‘e dyk. Hy moast syn frou Irene belje en freegje oft se it personiel fan “Het Hofje” ynformearje woe. Se moast sizze dat hy it âlde minskje persoanlik nei in pear oerkes werombringe soe en hy soe syn frou freegje oft se daliks mei de bern nei it tsjerkje komme woe. Dat hy dêr út Lukas foarlêze soe en oft Jehannes syn oargelboek meinimme woe en wat krystferskes spylje. Hy soe har sizze dat it him spite fan dy moarns en al dy kearen dat hy har allinich gean litten hie. Hy soe it goed meitsje mei syn buorman út ’e Gemeente en dan soe der op twadde krystdei dochs frede wêze yn ’t tsjerke. Dan soe hy neist syn Irene sitte mei in ferromme hert.

Hy helle syn mobyltsje foar it ljocht en sei tsjin it âlde minskje dat hy even belje moast. De frou knikte nei him mei har sachte eagen en seach wer nei bûten wêr’t de snie yntusken lizzen bleaun wie. Dernei alhiel ferromme starte hy de auto, seach nei it wyfke, dy’t no mei de hannen gear en sluten eagen neist him siet en sei: “We binne der hast mefrou, we sille it krystfeest fan ús libben meimeitsje”. De blidens yn de eagen fan it froutsje wie grut. De autobannen makken al spoaren yn de farske snie. Yn it skynsel fan de lampen dwarrelen hieltyd gruttere flokken. Noch even en it tsjerkje kaam yn ’t sicht. Der baarnde ljocht, lyk as yn it theehûs derneist. In befrijend gefoel kaam oer him. Mei de frou yn de earm rûn hy foarsichtich it brechje oer, it tsjerkepaad op. Frou Nienhuis geniete fan de moaie kleuren yn it ferljochte glês-yn-lead. Jehannes bespile it oargel al. Syn freondintsje siet yn ’e tsjerke neist syn leave Irene, harren dochter stie achter de lessenaar en blêdere yn de Bibel. Syn skoansoan stuts krekt inkele kearsen oan. Mei de trienen yn d’ eagen en it âlde minskje oan syn earm rûn hy nei harren dy’t him sa dierber wiene.

Doe’t de boer - fan wa’t it tsjerkje wie- nei syn ronde yn de stâl de doar fan it tsjerkje iepene seach hy ien fan syn freonen út in doarpke fierderop achter de lessenaar, lêzend it Lukas- evangeelje, syn gesin -mei in âlde frou dy’t hy net koe- en inkele gasten, wêrûnder in groep ferdwaalde ‘Piterpaadkuierders’. Rêchsekken yn it gongspaad, baarnende kearsen, de reuk fan de krystbeam, mar wat him foaral opfoel wie de serene sfear dy’t dêr hong. Hy naam in stoel en foege him by it geselsskip. Hy seach omheech en waard Jehannes gewaar op de oargelbank en neist him siet ...?... Seach hy dat goed? Siet dêr, neist Jehannes, de feehâlder wêr’t syn freon, dy’t no achter de lessenaar stie, al jierren spul mei hie fanwege in stik lân? Beide mannen kamen apart geregeld om in kop kofje by him, hjir by syn tsjerkje yn it theehûs. De lêste jierren kamen se allinnich noch as se seker wisten dat de oare der net wie. Hy hie fan beide kanten it ferhaal heard en hie dêr sa syn eigen gedachten oer en no, hjir yn syn tsjerkje, yn in spontaan opset sjong-oerke, sa like it, wiene se der beide! De ien it evangeelje lêzend, de oar as assistint fan de oargelist. It die him nochal wat no’ t it like oft syn gebeden op dizze bysûndere krystdei ferheard waarden.

Yn ’e waarme auto, op ’e weromreis yn de stille wite jûn, mingde him in basstim mei in trilrige sopraan. Ynienen begriep de Grinzer dat it ‘welbehagen’ út it Ingleliet fan ‘e jûn hiel tichtby kommen wie en dat dit âlde wyfke, dy’t op syn paad kommen wie, dêr in grut oandiel yn hân hie.
Se kamen by “Het Hofje” wêr’t se leafdefol ynhelle waarden mei waarme sûkelademolke en in dik plak krystbôle. Alde frou Nienhuis hie in kleur op ’e wangen en har hiele gesicht striele doe’t se sei: “Wy ha krystfeest fierd yn it fjild, krekt as yn Efratha en it Ingleliet klonk dêr hearlik!”

Oerset nei in krystferhaal fan Coby Poelman-Duisterwinkel.

De mevrouw die mijn verhaal heeft vertaald heeft aangegeven dat zij graag anoniem wil blijven. Ik ben haar erg dankbaar dat zij het in het Fries heeft vertaald voor de mensen aan wie zij het tijdens een kerstviering heeft voorgelezen en dat ik de vertaling op mijn blog mocht plaatsen.
Mocht u dit lezen en zou u ook één van mijn kerstverhalen willen vertalen dan zou ik dat ontzettend leuk vinden.



Kerstfeest op t Grunneger plattelaand

Hou loat of t was wis Jitske nait. Ze laip deur de lange gaang, steunzuikend langs de stang aan de muur en vroug zich oaf achter welke deur heur koamer ook al weer was. Aan t ende van de gaang was de gloazen deur woar de sfeer van gezelleghaid huusde. Deur t glas ien lood zag ze lichjes brannen. De reuk van dennetakken kwam heur tegemout. Was dit de deur van heur koamer? Op elke deur was n foto van de bewoner plakt. Ze herkende heur foto. De deur kierde open. t Was duuster. Ze knipte t licht aan en zag heur bekende spullen. Heur berre, twai leunstoulen, de antieke linnenkaast, heur rolloator dai ze alweer vergeten haar en de kaast met de voas van heur ollers noast de foto van heur verloofde dai vlak veur heur traauwen deur n ongeluk om t leven kommen was. Ze haar noeit meer n man troffen dai heur grode laifde vervangen kon.
Op t toafeltje ston de cassetterecorder dai de vrouw van kerk broacht haar. Ze hufde allain mor de knop met plakker ien te drukken, den kon ze noar kerkdainst luusteren.
Ze schoevelde noar ain van de stoulen met n kanten klaidje over rugleuning, drukte op knop en heurde t ienlaidend örgelspel van kerstdainst ien heur vertraauwde gemainte.
Met heur handen vollen en ogen dicht gaf ze zich over aan de woorden van de domenee. De liturgie dai ze van de vrouw kregen haar lag noast de cassetterecorder. Ze kon nait meer zo goud lezen, zelfs grootledderliturgie begon veur heur ogen te daansen. Nee, t was beter zo. Oaf en tou prevelde ze woorden met ien t gebed. As t zingen begon leefde ze op, den zat ze rechtop ien stoul en zong uut de kop met glim- ogen alle verzen met. Ze leefde zich ien asof ze derbie was. Noa t amen van de zegen ging ze stoan, pakte heur tas en schoevelde gaang op. Ze laip de lange gaang weer deur, kwam veurbie kapstok, pakte n grieze jas dai op heurent leek en trok hom aan. Der zat n sjaal ien de mouw vernam ze, dai dee ze om haals. Ien jasbuzen von ze handschounen.

Heulemoal aanklaid om vot te goan ston ze even loater bie veurdeur dai nait open wol. Hou kon dat nou, ze drukte tegen deur. Woarom wol kerkdeur nait open en woar waren alle mensen? Gelukkeg, doar kwam n man met n lange zwaarte jas aan en n houd op. Dat was domenee zeker. Hai drukte op knoppen van n soort telefoon en de deur ging zomoar vanzelf open.
Zunder om te kieken laip er noar boeten en zai schoevelde zaacht achter hom aan.
Hai laip met grode stappen en ienainend bedoacht ze dat heur rolloator nog ien kerk ston.
Ze was heulemoal vergeten dat ze nait goud meer lopen kon, zo haar ze probeerd domenee bie te hollen.
Zuikend noar holvast greep ze om zich hen en begon te stroekelen. Ze vuilde hou ze heur evenwicht verloor en tegen een taxusheeg aanviel, heur tas lag n end verderop. Ze probeerde ientênne te kommen toen n staarke man zich over heur henboog en vroug of ze zich zeerdoan haar. Ze kende de man nait. Hulpeloos keek ze ien zien ogen en zee dat ze t aalmoal nait meer wis.
 
De man hailp heur ientênne en vroug woar ze hen wol, of hai heur aargens henbrengen kon. Ze wis t nait meer, t leek wel of ze heulemoal niks meer wis. Dou zag ze veur n verlicht roam van t huus woar ze op uutkeken n keerske brannen en heur ogen begonnen te lichten. Ze wis t weer, t was kerstfeest en ze wol noar kerk!
Ze vertelde de man dat ze noar kerk wol omdat t kerstfeest was en met kerst ging ze altied noar kerk om t evangelie uut Lukas te heuren en te zingen tot Gods eer, te vieren dat de Redder geboren was om mensen te verlössen.
De man zee dat er op dit moment van dag gain kerkdainsten hollen werden en t kerstfeest van zöndagsschoul was ook al oaflopen, hai haar nog noar de kiender zwaaid en zich oafvroagd of ze tegenworreg nog n boukje kedo kregen net als vrouger.

Dou er t teleursteld gezicht zag van de hulpeloze vrouw kwam er n gedachte ien hom op. Hai kende n boer dai op zien aarf n kerkje bouwd haar en ien dat kerkje werden wel es traauwdainsten hollen en ook wel biezundere kerkdainsten. Op eerste kerstdag waren er vast wel kiekers ien dat kerkje op dit uur van de dag. Der speulde ook wel es ain op t örgel. Wel wait, zo te zain moakte t dizze vrouw nait uut of t n kerkdainst was of n zanguurtje, hai kon heur der wel henbrengen. Der lag altied wel n Biebel woar er wat uut Lukas lezen kon.
Der kwam glaans op zien gezicht dou er heur vertelde dat er heur noar n kerk toubrengen zol woar uut Lukas lezen worden zol en woar ze zingen kon tot eer van God.
Hai hielp heur ien zien auto en even loater reden ze deur t prachtege landschap van Grunnen over smalle wegjes, schoars verlicht deur vallende snijvlokken.
Jitskes gezicht stroalde. Met heur tas op schoot genoot ze van dit onverwachte autoritje.
Wat was t hier mooi, zo stil en vredeg. Overal zag ze boerderijen met verlichte roamen, t was net as vrouger dou ze as jong wichje bie volle moan noar wichterverainen fietste. Alle herinneringen kwamen boven. De man keek oaf en tou opzied ien t gezicht van de olle vrouw dat glaansde ien weerschien van licht ien t duuster.

Hai doacht aan zien moeke dai er net thuusbrocht haar, moakte zich zörgen over heur geesteleke gezondhaid. Ze ston nou al host n half joar op de liest veur "t Hofke". Wat haar ze genoten van dizze mirrag. Ze haar t zo mooi vonnen heur kiender weer te zain en t vriendinnetje van Johannes te treffen.
Ook mos er terugdenken aan zien vrouw dai vanmörnen nog veur hom stoan haar met smekende ogen en vroagd haar of hai den tenminsten nou t kerst was weer es met noar kerk wol en hou er zegd haar dat er juust met kerst vrede ien kerk weden mos en dat doar veur hom gain vrede was. Verdraiteg was ze allain deur uutgoan, kop veurover en schollers noar beneden en hai haar weer vernomen hou ellendeg hai zich er deur vuilde.
Nou zat er met n olle vrouw ien auto en was onderwegens noar kerk. Hai realiseerde zich ienainend dat de vrouw wel es ien "t Hofke" wonen kon. Hai haar heur vlakbie "t Hofke" vonnen. t Begon hom duudlek te worden dat t gedrag van de vrouw goud paasde bie de mensen dai doar woonden.
Hai keek ien de spaigels en zette auto aan kaant van weg. Hai mos zien vrouw bellen en vroagen of ze t personeel van "t Hofke" ienformeren wol. Hai zol de vrouw persoonlek noa n poar uur trugbrengen en hai zol zien vrouw vroagen of ze met kiender noar t kerkje kommen wol, dat hai doar uut Lukas veurlezen zol en of Johannes zien örgelbouk metnemen wol en wat kerstlaideren speulen kon. Hai zol tegen heur zeggen dat t hom speet van vanmörn en aal dai keren dat er heur allain noar kerk lait gain. Hai zol t goud moaken met zien buurtgenoot uut gemainte en den zol er mörn op twaide kerstdag toch vrede ien kerk weden. Den zol er noast zien Irene zitten met n opschoond haart.

Hai hail zien mobieltje teveurschien, zee tegen de vrouw dat er even n poar mensen bellen mos.
De vrouw knikte noar hom met heur zaachte ogen en keek weer noar boeten woar de snij ienmiddels liggen bleven was ien t uutstrekt landschap.
Met n roem haart startte hai auto, keek noar de vrouw dai hannen weer vollen haar en met ogen dicht noast hom zat en zee: "We zijn er bijna mevrouw, we zullen het kerstfeest van ons leven meemaken."
De bliedschap ien de ogen van Jitske was groot.
De autobanden moakten sporen ien de snij. Ien t schiensel van de lampen dwarrelden aal grodere vlokken. Nog even en t kerkje kwam ien zicht. Der braande licht net as ien t theehuus dernoast. n Bevraid gevuil kwaam over hom.
Met de vrouw ien aarm laip er veurzichtig t brugje over, t kerkpad op en Jitske genoot van de mooie kleuren ien t verlichte glas ien lood.
Johannes speulde op t örgel. Zien vriendinnetje zat ien kerk noast zien laive Irene, heur dochter ston achter katheder en bloaderde ien Biebel. Zien schoonzeun stak n poar keersen aan. Met brannende ogen en Jitske aan aarm laip er noar wel hom zo laif waren.

Dou de boer noa zien ronde ien stal de deur van zien kerkje open dee trof er ain van zien vrunden uut n noabureg dörp achter de katheder, uut Lukas aan t lezen, zien huushollen en n olle vrouw dai er nait thuusbrengen kon, n stuk of wat bezuikers en n groep verdwoalde Pieterpadlopers, rugzakken ien t gaangpad, brannende keersen, de reuk van dennennoalden mor wat veuraal opvail was de vredege sfeer dai er hier aantrof. Hai pakte n stoul en ging der bie zitten. Hai keek omhoog en zag Johannes op örgelbaank en noast hom zat… zag er t goud, zat doar noast Johannes dai veeholler woar zien vrund al joaren met ien onmin leefde om n stuk land? Baide mannen kwamen geregeld n kop kovvie bie hom drinken hier in zien kerkje. De leste joaren kwamen ze allain nog as ze zeker wissen dat d aander der nait was. Hai haar van baide kaanten t verhoal heurd en haar der zo zien aigen gedachten over en nou, hier ien zien kerkje, ien ain of aander zanguurtje, zo leek t, waren ze der baiden. Ain aan t Biebellezen, aander as hulp van örgenist.
Hai was ontroerd dat zien gebeden op dizze biezundere kerstdag hier onder zien ogen leken verheurd te weden.

Weeromrais ien de stille widde oavond mengde n basstem zich met n trillerege soproan ien n waarme auto. Ienainend begreep de Grunneger dat t welbehoagen uut t engelenlaid vanoavond heul dichtbie kommen was en dat dizze vrouw dai op zien pad kommen was doar n groot aandail in had haar.
Ze waren host bie "t Hofke" woar ze ien laifde opvangen werden met waarme sukkeloademelk en n dik plak krendestoet met roombodder.
Jitske haar n kleur op wangen en heur haile gezicht stroalde dou ze zee:
"We hebben kerstfeest gevierd in de velden, net als in Efratha en het Engelenlied klonk er heerlijk!"

© Coby Poelman-Duisterwinkel.


Hemels Licht



Heer, ik kan niet bidden,
dat heb ik nooit geleerd.
Ze zeggen dat het Christuskind
voor mij ook is gekomen.
Ik wil het wel geloven
maar begrijpen doe ‘k het niet.
Nu hebben ze me naar
het kerstfeest meegenomen

en eerlijk Heer,
het voelt zo goed,
er heerst hier echte Vrede.
Ik denk dat ik van nu af aan
ook zondags naar Uw Huis wil gaan
er is vandaag zomaar in mij
een Hemels Licht ontstaan
en wat ook heel bijzonder is,
ik heb zowaar gebeden!

Coby Poelman-Duisterwinkel.

Het kunstwerk is van Folkert de Graaf